website baarhuisje

Het Berghems baarhuisje

Redengevende omschrijving, bezoek 12 maart 2010
Zij sprak van een baarhuisje van omstreeks 1874, en dat de gevel aan de monumentale boerderijzijde is opgetrokken in wildverband gemetseld, ter hoogte van de zoldervloer is een staafanker aangebracht, opgetrokken in ongeveer 1850. De achtergevel laat 2 verschillende bouwfase zien,het rechterdeel omstreeks 1874 en het linkerdeel omstreeks 1904, en is de oorspronkelijke L-vorm uitgebreid tot een rechthoek. Leon Bok funerair specialist waar Jennemie Stoelhorst inlichtingen heeft gevraagd over het object betitelde het gebouwtje als lijkenhuisje, en afgezien van enkele onjuistheden in het verhaal over begraafplaatsen voldoet de beschrijving, zo schreef hij.

Dit rapport wordt op 6 juli behandeld in de monumentenkamer, nadat iedereen zijn zegje heeft kunnen doen, komt er een stemming door 4 personen. Henk Buijks stemt voor net zoals Hein Hundertmark, de architect stemt tegen omdat hij nu eenmaal niet gelooft in het baarhuisje, de laatste stem is dan voor de voorzitter Peter de Greef die dan de verantwoording op het bordje legt van B&W om ook tegen te stemmen, zodat de stemming 2-2 is. Mijn eerste gedachte die avond was, wat een stelletje lafbekken zitten hier te beslissen over onze erfenis.

Op 2 augustus 2010 krijgen wij via de secretaris van de monumentenkamer Frans van der Linden een uitnodiging om op 3 augustus 2010 te verschijnen op hun vergadering, er zijn belanghebbende stukken binnengekomen die van belang zijn voor het baarhuisje. Jennemie Stoelhorst heeft weer een geheel nieuwe redengevende omschrijving geschreven, hieronder enige stukjes.

Redengevende omschrijving Jennemie Stoelhorst bezoek 12 maart 2010
Ja, jullie lezen het goed,op dezelfde dag als het eerste rapport. Natuurlijk is ze maar 1 keer geweest,maar ze maakt  2 totaal verschillende rapporten. Een slecht begin voor iemand die pas in dit wereldje komt kijken. Schreef ze eerst, oorspronkelijke vorm baarhuisje, nu schrijft ze,schuur. In haar eerste rapport is de bouwtijd 1874, en nu volgens haar van 1904.
Ze laat het rapport geheel draaien van baar/lijkenhuisje naar schuurtje, waarin grote stukken zijn weggelaten, andere stukken van het eerste rapport zijn een op een overgenomen. Uit de monden van de commissieleden kwam naar voren dat de ommezwaai was gekomen op basis van 2 kadasterkaarten, 1 kadasterkaart van 1811-1832 het z.g. minuutplan, en een kaart van 1904.

Alle onderzoeken die Berchs-Heem bij ieder lid van de monumentenkamer had neergelegd werden in één klap van de tafel geveegd. Opmerkelijk is, dat er 2 personen die een bouwhistorische opleiding hebben gehad zich door 2 kadasterkaarten om de tuin laten  leiden, en al hun bevindingen van voorheen in de prullenbak deponeren. Ook de mening van de beste funerair specialist van Nederland op gebied van begraafplaatsen en grafmonumenten Leon Bok uit Amsterdam is voor de commissie onvoldoende om overtuigd te raken dat wij het hier werkelijk hebben over een baarhuisje van 1874.

In het tweede rapport van Jennemie Stoelhorst zijn stukken geplaatst die onmogelijk afkomstig konden zijn van de monumentenkamer of van Jennemie Stoelhorst, daar was de tijd te kort voor. Berchs-Heem denkt eerder dat deze afkomstig zijn van 2  leden van Berchs-Heem.
Op 8 februari 2010 krijgt het bestuur van Berchs-heem een brief ondertekent door 2 Berchs-Heem leden. In de brief staat dat ze twijfels hebben omtrent de juistheid van ons onderzoek wat betreft de leeftijd en aard van het Baarhuisje. Ze zijn uitgegaan van een paar kadasterkaarten, en akte van grondverkoop. Hun letterlijke verklaring is: “Zeer waarschijnlijk was het huisje van oorsprong bedoeld als praktische bergruimte voor de tuinlieden, voor het opbergen van hun gereedschappen en verder tuingerief, en zeker ook als opslagruimte voor de oogst uit de boomgaard”. In de volksmond wordt het soms ook ‘’koetshuis’’ genoemd, omdat pastoor van Teteringen het mogelijk wel eens in gebruik had als stalling voor zijn rijtuigje. Na de tweede wereldoorlog werd de boomgaard gerooid en kreeg de Dahliavereniging van Berghem de grond in gebruik voor haar dahliacultuur. Die organisatie verzorgde gedurende al die jaren ook de bloemversiering in de St. Willibrordus kerk. “Wij kunnen, op basis van hetgeen de archieven ons geboden hebben alleen maar concluderen dat het huisje gebouwd moet zijn rond 1902 en dat de functie ervan gezocht moet worden in de geest zoals hierboven beschreven” aldus de letterlijke passage uit hun brief.

Deze laatste conclusie kan Berchs-Heem meteen weerleggen met de conclusie van het bouwhistorisch onderzoek waarin staat dat de metselmortel van het huisje zeker niet jonger is dan 1875, en dat bij de bouw van kerk en pastorie andere mortels zijn gebruikt. Deze 2 leden van Berchs-Heem hebben buiten weten van Berchs-Heem een eigen onderzoek ingezet. Het is niet gebruikelijk dat als er iemand van de vereniging een onderzoek is begonnen dat andere personen dit ook gaan doen, dat voelt als een controle, wel hadden ze hun eventuele bevindingen kunnen vergelijken met de andere onderzoeker, waardoor je misschien een beter geheel had gekregen, dat is ook het doel van een heemkundevereniging. Alle stukken die deze personen in hebben gezien bij het B.H.I.C. in den Bosch hebben wij zelf  ook onderzocht, bijgestaan door een behulpzame mevrouw van Boven medewerkster bij het B.H.I.C.. Bij een gesprek in onze heemkamer met voorzitter Gerard van der Linden en secretaris Ria Boeijen waren de 2 onderzoekers zelfs nog niet bereid hun bevindingen aan de vereniging te geven, maar wel mondeling toe te lichten. Het bestuur van Berchs-Heem vond dat hun onderzoek, en mondelinge uitleg niets bijdroeg aan het resultaat van ons onderzoek, en wenste daar dan ook geen gebruik van te maken. Nu blijkt dat hun informatie wel aan de monumentenkamer is verstrekt. Als de monumentenkamer alleen op basis van de kadasterkaarten deze beslissing hebben genomen slaan ze geheel de plank mis, en geven dan ook meteen de kwaliteit van de monumentenkamer aan, een probleem waar vele gemeente mee worstelen.

In een onderhoud met het kadaster in Eindhoven werd ons verteld, dat, als er een bijgebouw niet op de kaart stond het zeker wel mogelijk was dat het er toch heeft gestaan. Er is ook iets merkwaardigs met de kadasterkaart van 1811-1832  en 1904. Op deze kaart van 1904 staan de contouren van de oude kerk getekend. Op de kaart van 1904 staan ook contouren getekend maar wel van de kerk van  de kaart 1811-1832, en niet van de kerk van 1850, die in 1858 in gebruik werd genomen, en die in 1895 bij een hevig onweer is afgebrand, zeer merkwaardig. Ook staat in het tweede rapport van Jennemie Stoelhorst dat de algemene begraafplaats was gelegen in de heide (BHIC toegangsnummer 7349 gemeentearchief Berghem 1814-1920).

In mijn onderzoek is gebleken dat dit juist is, maar het lag niet in de heide waar wij meteen aan denken, maar naast de pastorale hof, weduwe Mulders had deze strook grond in 1837 verkocht aan de kerk. In 1870 had de gemeenteraad van Berghem beslist dat er een algemeen kerkhof in de heide moest komen, de een spreekt van 9 are, de andere weer van 8 are, en dat is aangelegd in 1871. In het verslag van 1874 staat dat het kerkhof is voorzien van een lijkenhuisje.
Op de hoek van de St. Willibrordusstraat is op verzoek  om vergroting van het katholieke kerkhof ook meteen  gevraagd door het kerkbestuur om een stukje grond voor het algemene kerkhof, de grootte werd 1.36 are in de z.g. vorstelijke hoek (St. Willibrordusstraatzijde), dit verzoek is van 30 mei 1902.
Verder gaf de wet ook aan dat er tenminste 1 algemeen kerkhof moest zijn in de gemeente,en er geen verbod stond op meerdere,dit zou in Berghem het geval kunnen zijn geweest.

Ook heb ik  een archiefstuk gevonden bij het BHIC waarin staat, op de vraag van de provincie aan de burgemeester van Berghem in 1869 of Berghem voorzien is van een algemene begraafplaats,zijn antwoord is, Neen,slechts een strook grond gelegen aan de katholieke begraafplaats,en dienende voor algemene begraafplaats. Hij was wel aanwezig maar er werd nooit iemand begraven.Berghem telde in die tijd bijna alleen maar katholieken.In de stukken van de gemeente Berghem blijkt dat in 1869 t/m 1873 niemand op de algemene kerkhof werd begraven, en op het katholieke kerkhof in dezelfde tijd 130 personen.

Ik ben namens Berchs-Heem vele keren bij het B.H.I.C. op bezoek geweest en ben altijd met vriendelijkheid geholpen door de medewerkers, ook het archief in Oss heb ik enkele malen bezocht om te kijken in het kerkarchief van Berghem. In dat archief vond ik dan ook de tekening van het lijkenhuisje aan de  St. Willibrordusstraat met een neogotisch uiterlijk, een pracht gebouwtje dat jammer genoeg eind jaren 50 werd gesloopt. Verder zocht ik het hele internet af of ik niet nog meer informatie kon vinden over baarhuisjes, en wonderwel vond ik een zeer belangrijk gegeven. Steeds hadden wij de ligging van het baarhuisje in de pastorietuin merkwaardig gevonden, en konden er geen verklaring voor geven, waarom deze locatie.
Tot ik een militaire kadasterkaart vond van 1868 waarop stond dat de ingang naast de kerk vroeger vanaf de Julianastraat was, en niet zoals later vanaf de St. Willibrordusstraat.
Dit gaf meer logica over de locatie van dit bouwwerk, langs de pad van het kerkhof stond een bomenpartij.

Leon Bok had al verteld dat het gebruikelijk was dat een baarhuisje aan het eind van een kerkpad was gesitueerd, dus deze verklaring sloot mooi aan, aan de toenmalige situatie. Ik had hem ook foto’s toegestuurd van het baarhuisje,en van het interieur, vooral de z.g. kapstok had mijn aandacht. Leon Bok vergeleek het baarhuisje met het baarhuisje uit Velp bij Arnhem, en zei dat het een gangbaar model was van de in 1874 gebouwde baarhuisjes. Over de kapstok had hij een andere uitleg. Bij het maken van een graf werden de zijkanten van het graf gestut door planken, om gevaar voor instorting tegen te gaan. Als de planken  werden verwijderd werden de planken tussen de haken gezet om te drogen, en daarom zat er onder die kapstok naast de deur ook een ventilatierooster. De muren in het Berghems huisje zijn licht gepleisterd en wit gekalkt, er zitten ook geen uitstekende delen in, ook geen nissen, allemaal kenmerken van zo’n huisje uit 1874. Verder zit er ook een naar buiten draaiende deur in om binnen meer plaats te verkrijgen. Ondertussen was bij Berchs-Heem doorgedrongen dat wij onmogelijk de beslissing van de monumentenkamer terug konden draaien.

De monumentenkamer had B&W het advies gegeven om het Berghems baarhuisje niet op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Na het vinden van de toegang van het kerkhof, en nog een paar andere feiten kwam het bestuur van Berchs-Heem op een zondagmorgen bij elkaar om te beraadslagen wat te doen. We besloten om het college van B&W te vragen om de beslissing al dan niet plaatsen op de gemeentelijke monumentenlijst uit te stellen. Verder besloten wij om eens een keer serieus met ervaren bouwhistorische ogen naar het baarhuisje te laten kijken. Dit kostte  de vereniging veel geld, maar het bestuur was unaniem in zijn beslissing.

Ik benaderde namens de vereniging monumentenadviesbureau Nijmegen in de persoon van Frank Haans met de vraag of hij een bouwhistorisch onderzoek wilde verrichten, Frank Haans was al een beetje op de hoogte omdat hij in het verleden van de gemeente Oss al opdracht had gekregen om de monumentale kerkhofmuur in kaart te brengen en te adviseren wat te doen bij restauratie van de muur. In zijn opdracht had dit bureau ook meteen het baarhuisje meegenomen omdat dit vast zat aan de kerkhofmuur, maar kreeg uitdrukkelijk het verzoek van de gemeente dit niet te doen, omdat dit al een gepasseerd station was. Ook had het parochiebestuur al beloofd dat de stenen van het baarhuisje gebruikt mochten worden voor restauratie van de kerkhofmuur. Een belofte die onbegrijpelijk is te noemen want een leek kan al zien dat het formaat stenen heel anders is.