website baarhuisje

Het Berghems baarhuisje

Het Berghemse baarhuisje
Om al het geharrewar rondom het baarhuisje aan de lezer en belangstellende goed uit te leggen, valt niet mee. Er zijn zoveel zaken uit te leggen over het geen Berchs-Heem heeft ondervonden dat schrijver moet opletten niet de draad te verliezen.

Om te beginnen bij het begin. Op 17 juli 2009 zijn wij uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de opening van het leerlooiershuisje in Ravenstein. Het prachtig gerestaureerde leerlooiershuisje ooit door de gemeente Oss  betiteld als niet waardevol ligt op een prachtige locatie en is een sieraad voor Ravenstein. Op die middag kwamen wij in gesprek met een bouwhistoricus die zeer nauw betrokken was bij de restauratie. Nadat wij bekend hadden gemaakt van de heemkunde te zijn, en dat wij in Berghem woonde kwam er voor ons belangrijke tip en uitspraak: ’’weten jullie dat er in de pastorietuin een belangrijk  gebouwtje staat’’. Voorzitter Jan van der Burgt en ik keken elkaar aan omdat wij wel een vermoeden hadden ,maar nog niet het fijne wisten van de zaak. Wel hadden wij in 2007, toen wij hoorde van het centrumplan en de reconstructie van de pastorietuin, een brief gestuurd naar  de persoon die belast was met de uitvoering van het plan, Gert Jan van der Brand, om rekening te houden met het huisje in de tuin ,en die als het enigszins kon, te behouden voor Berghem .Antwoord op deze vraag moeten wij nog steeds krijgen. Natuurlijk wisten wij toen nog niet wat er allemaal gaande was, en in hoeverre de plannen al waren doorgevoerd. Na een officiële brief naar b&w met de vraag om het gebouwtje te behouden,ging het balletje rollen. Inmiddels had de pers ook lucht gekregen van hetgeen er in Berghem afspeelde,en we werden dat ook bestookt door de het Brabants-Dagblad, DTV en TV-Berghem en nog meerdere media.In de loop van het eerste verzet van Berchs-Heem werd ik ook gebeld door wethouder van Oss Jules Iding (SP) die vroeg of ik in de Groene Engel in Oss het baarhuisje zou willen komen verdedigen, met als afgevaardigde van de gemeente Oss  wethouder Hendrik Hoeksema. Het was een levendige discussie over het al dan niet laten staan van het baarhuisje.

In de loop van de week werd ik gebeld door Tiny Romme uit Geffen, kenner van de plaatselijke historie. Hij had de discussie aangehoord en vond dat Berchs-Heem sprankelend was overgekomen, en gaf ons gelijk om de strijd  voor behoud voort te zetten. Later vertelde hij mij dat voor de aanvang van de discussie wethouder Jules Iding zich enigszins minderwaardig over Berchs-Heem had uitgelaten, en onze vereniging betitelde als ‘’och dat heemkundeclubje uit Berghem’’, daar zal hij nu toch wel anders over denken.

Na die tijd kregen wij een uitnodiging van de gemeente om op 18 september 2009 met een afvaardiging te komen praten over het baarhuisje. Aanwezig waren de beide wethouders Hoeksema en Iding, het kerkbestuur met een afvaardiging, Berchs-Heem aangevuld met Mark van Schaijk wonende in de monumentale boerderij aan de Pastoor van Teteringenstraat. Berchs-Heem had inmiddels een groep gevormd die bestond uit Mark van Schaijk, Jan van der Burgt, Robert Ceelen, Thijs van Kessel en Lambert van Hintum. In die vergadering in het waterschapsgebouw werd al snel duidelijk dat het geheel behouden van het baarhuisje niet haalbaar was, steeds werd er aangehaald dat de doorkijk naar de St. Willibrordusstraat  moest komen, en dat er een deel van het huisje daarom moest verdwijnen. Als dat dan zou moeten gebeuren dan was het niet meer interessant om zich te blijven  inspannen voor behoud,het huisje zou dan zo klein worden dat er ook geen bestemming meer voor gevonden kon worden, we gingen dus met een kater naar huis.

Na een paar dagen van bezinning belde ik voorzitter Jan van der Burgt  met de vraag, of het niet verstandiger was om te kiezen voor een gedeeltelijk laten staan van het huisje, en dan verder in de archieven te gaan zoeken naar bewijsmateriaal naar de oorsprong van het gebouwtje,Jan stemde hiermee in. Ik maakte snel een brief met het verzoek om nog eens naar de zaak te kijken en bracht die brief dezelfde dag nog naar het gemeentehuis in Oss. Toevalligerwijs moest ik die morgen in onze heemkamer zijn en trof daar Wim van de Camp en zijn zoon Theo van transportbedrijf en sloopbedrijf van der Camp uit Berghem, ze vertelde mij dat ze de opdracht om het huisje te slopen al binnen hadden, en dat er geen belemmeringen meer waren om dat niet te doen. Alleen hadden wij het geluk dat vader en zoon van der Camp ook nog gevoel hadden voor behoud van ons erfgoed, en ze verzekerde mij,  dan ook niet zo snel aan de sloop te beginnen.

Na die brief kwam de monumentenkamer van Oss in beeld.Burgemeester en Wethouders hadden de zaak terecht aan hun overgedragen om de zaak te onderzoeken. In hun commissievergadering werden wij van Berchs-Heem uitgenodigd om ons zegje te doen. Het is gebruikelijk in zo’n commissievergadering om je zegje te doen, maar dan ook verder je mond te houden ,en niet in discussie te gaan met de heren. Thijs van Kessel had mij ingefluisterd wat ik wel, en wat ik niet mocht zeggen, wat overigens tegen mijn natuur was, maar het doel van de zaak was belangrijker. De monumentenkamer vond het gebouwtje niet belangrijk genoeg om te bewaren, met als uitspraak van de architect in de commissie ‘’als er iets vernieuwd moet worden is het geen monument’’, wat moesten wij met zo’n onzinnige uitspraak.

Op een zaterdag gingen Jan van der Burgt, Thijs van Kessel en ik naar het baarhuisje om de fundering bloot te graven, om zodoende de vorm van het huisje aan te geven. Er werd gegraven langs de muur van de pastorietuin en de monumentale boerderij, en geheel langs het baarhuisje. We waren het al snel er over eens dat de stapelfundering overal hetzelfde was, en dat het baarhuisje was gebouwd in een L vorm, wat later de tekeningen ook duidelijk zouden aangeven. Weer ging er een brief weg naar B&W met de vraag nog eens naar de zaak te kijken.

B&W gaven Henk Buijks streekkenner bij uitstek, werkzaam bij het BHIC, en lid van de monumentenkamer opdracht om een rapport te maken, en als het kon zo snel mogelijk, want de pastorietuin kwam in het gedrang. Henk Buijks ging aan de slag, en wat hij daar van bakte is niet de stijl die wij van Henk kennen. Hij had gezocht in het boek van Lambert van den Heuvel ‘’St. Willibrorduskerk van verleden tot heden’’, en verder bood Gerard Ulijn ‘’Berghem in oude ansichten ‘’, ook nuttige informatie, verder had hij 2 kadasterkaarten bestudeerd van 1832 en van 1905.
Hij had ook nog een kleine fotoverkenning uitgevoerd. De benaming koetshuisje of desnoods schuurtje leek hem geoorloofd, maar het pandje was zeker nooit geen baar of knekelhuisje geweest, het gebouwtje was volgens hem van oorsprong bergplaats, maar zou later ook gediend hebben als onderdak voor rollend materieel. Het zag er sjofel uit, en had geen enkele monumentale waarde.
Later komt hij via een mail naar mij hierop terug. Zijn conclusie was dan ook: “Het koetshuisje zou behouden kunnen worden, mits het wordt teruggebracht naar zijn oorspronkelijke vorm en bouwmassa, de aanbouw moet er echt af! (met uitroepteken)”.

Later bleek in een mail van Henk Buijks op 11 september 2009 naar secretaris van de monumentenkamer Frans van der Linden en naar de mij onbekende Marcel Meijers dat hij op verzoek van de wethouders expliciet had vermeld dat de monumentale waarde gering zou zijn. Ondertussen hadden wij van het kerkbestuur van Berghem ook een brief ontvangen (15 oktober 2009) ondertekent door onze nieuwe pastoor De Gilde. Deze brief  kwam goed terecht bij de heemkunde, want de inhoud van de brief was niet van deze tijd, maar hoorde meer in de tijd van het rijke Roomsche leven rond 1900, toen de kerk het nog voor het zeggen had. Het werd ons verboden om het koetshuisje nog baarhuisje te noemen, omdat  het nooit een baarhuisje was geweest, en zette ons voor blok om binnen een onmogelijke tijd van 2 weken een begroting van de restauratie in te dienen, een bankgarantie, en vermelde meteen de’’datum fatale’’ (6 november 2009 12.00 uur) in de brief die wij als Berchs-Heem  als een bedreiging voelde. Toch gingen wij aan de slag en een monumentenbewaker uit Berghem stond meteen garant voor de kosten van restauratie bouw, restauratiebedrijf van der Ven uit Veghel kwam snel met een begroting, en aan alle verplichtingen die het kerkbestuur ons hadden opgelegd was voldaan. Op de morgen van 19 november 2009 werd ik om 9.00 uur gebeld door Jan van den Coolwijk  heemkundelid en werkzaam voor zijn bedrijf in de pastorietuin.
Hij vertelde dat er 2 heren met papieren aan het rondneuzen waren in het baarhuisje. Niet veel later was ik ook aanwezig, het bleken Henk Buijks en Hein Hundertmark (bouwhistoricus) en lid van de monumentenkamer te zijn. Op de vraag van Henk hoe ik wist dat zij in het huisje waren vertelde ik dat wij ook onze kanalen hadden. Op dezelfde dag kreeg ik een mail van Henk Buijks dat hij overleg had gehad met voorzitter van de monumentenkamer Peter de Greef, en dat ze omwille van een ongestoorde afwikkeling van deze zaak het belangrijk vonden om absolute radiostilte richting media in acht te nemen, in diezelfde mail vertelde hij dat nu ook in zijn visie vrijwel zeker het gebouwtje een baarhuisje is geweest, dankzij jullie onderzoek, getekend Henk Buijks.

Ook het kerkbestuur heeft zich altijd verzet voor behoud van het baarhuisje, al weet ik dat dit niet altijd de wens was van alle bestuursleden. Omdat de parochie eigenaar is, was het voor Berchs-Heem niet makkelijk om hier een weg in te vinden. Berchs-Heem werd gezien als een blokkade voor het realiseren  van de pastorietuin, dat hebben wij gemerkt aan alle reactie’s van mensen die in en rond de kerk werken en toezicht houden.

Inmiddels zijn de verhoudingen beter omdat wij steeds met nieuwe feiten kwamen. Op 25 juni 2010 krijgt Berchs-Heem  van Rik Pols medewerker monumentenzorg een uitnodiging voor de vergadering van de monumentenkamer op 6 juli om 20.00 uur, notabenen op de avond dat Nederland de halve finale tegen Brazilië moest spelen. Hij stuurde ons ook een redengevende omschrijving van het baarhuisje, opgemaakt door Jennemie Stoelhorst na een bezoek op 12 maart 2010 aan het baarhuisje. Overigens werkt Jennemie Stoelhorst voor monumentenhuis Brabant in Geertruidenberg, en is door de gemeente Oss belast met het onderzoek.