website baarhuisje

Het Berghems baarhuisje

Wetgeving uit de 19e eeuw
Toen in 1795 de Fransen ons kwamen bevrijden werden hier al snel wetten ingevoerd de zogenaamde decreten.Zo werd in 1804 een decreet afgevaardigd waarin stond dat het niet langer werd toegestaan lichamen van gestorven burgers in een kerkgebouw bij te zetten.Wetenschappers hadden gewezen op de kwade gevolgen.Het bijwonen van een kerkdienst was in die tijd niet altijd een pretje, men sprak dan ook niet ten onrechte van ‘’rijke stinkers’’.Toen de Fransen in 1814 weer vertrokken werd het decreet weer ingetrokken.Pas in 1825 kwamen de deskundige weer met een nieuw rapport,en het was Willem I die het decreet in 1827 weer invoerde,en vanaf 1829 was het verboden om iemand in een kerkgebouw te begraven.In het Berghemse geval is ook interessant  het koninklijk besluit van 1828 waarin staat ,artikel 1 ;zonder voorafgaande verlof zullen er geene gebouwen mogen opgericht of putten gegraven worden op eenen minderen afstand dan 35 a 40 ellen (68 cm),dan de buiten de kom der gemeente aangelegde begraafplaatsen. In artikel 17 staat ook nog dat voor elke begraafplaats een opzichter moest worden aangesteld,en het liefst zo dicht mogelijk wonende aan de begraafplaats,misschien woonde hij in Berghem wel in de onderwijzerswoning,of in de boerderij in de pastoor van Teteringenstraat, dat zou dan ook meteen het dichtgemetselde poortje in de kerkhofmuur verklaren.De opzichter moest zorgen voor lijkkleden, lijkbaren.

Een van de belangrijke wetten op dit gebied heeft een lange voorbereidingstijd gekend, omdat de grote kerkgenootschappen zich tegen de invoering lang bleven verzetten.Maar op 10 april 1869 stond dan toch in het staatsblad.‘’wet van vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisrechten’’.Meestal gewoon de begrafeniswet genoemd.

Art1: staat dat elke overleden persoon in een kist moet worden begraven

Art6:  geen begraving geschiedt vroeger dan 36 uren of later dan de vijfde dag van overlijden.B&W kunnen wel bepalen ,is er gevaar    voor de volksgezondheid binnen deze tijd ,dan kan men de overledene over laten brengen naar een lijkenhuis,indien aanwezig.

Art13: Elke gemeente heeft tenminste 1 algemene begraafplaats.

Art18: Elke begraafplaats wordt door een muur ,heining ,rasterwerk of heg ,ter hoogte van tenminste twee meters afgesloten. Tenslotte bevat de wet ook nog een aantal regels omtrent de afmetingen van de graven en de onderlinge afstand van elkaar.In de wet wordt de naam lijkenhuis al genoemd. De ministers die deze wet indienden waren Fock, Minister van binnenlandse zaken, en van Lilaar, Minister van justitie.En de ondertekening is:Gegeven te s’Gravenhage 10 den april 1869(koning)Willem.De gevolgen van deze wet was ingrijpend,vele kerkhoven voldeden niet aan deze eisen.het was een inbreuk op eeuwenoude traditie’s.Het kerkhof was middelpunt van het dorp,het was niet alleen een plaats waar de dode werden begraven,maar er werd ook gespeeld door kinderen,in de 18e eeuw  werden  er zelfs jaarmarkten gehouden waarbij de kramen over de graven stonden.In de periode 1866-1867 had een cholera epidemie ongeveer 21000 doden in ons land geëist ,de Berghemse  pastoor leed ook aan deze ziekte maar werd wonderwel beter.Reden genoeg om de aanleg van de waterleiding en riolering aan te pakken in ons land.

In het staatsblad verscheen: De wet van 4 december 1872 tot voorzieningen tegen besmettelijke ziekte .

In Art 1: staan de ziekten waarop de wet van toepassing is:Aziatische cholera,tyfus,pokken,roodvonk,difteritis en  mazelen.In 1874 kreeg de wet een aanvulling,toen ook de ziekte dysenterie eronder ging vallen.

Art 12: bij elke begraafplaats wordt uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden van deze wet,een lokaal ingericht voor tijdelijke bewaring van overledenen aan een besmettelijke ziekte.

Deze ruimte kreeg al gauw de benaming lijkenhuisje of dodenhuisje,tegenwoordig wordt ook de naam Baarhuisje gebruikt.Voor vele kerkgenootschappen was dit een flinke aanslag op de financiële middelen, vaak klopte ze dan ook aan bij de gemeente voor een bijdrage. De huisjes mochten niet meer kosten dan 300 gulden,vaak kwam men nog lang niet aan dit bedrag omdat de huisjes zeer sober werden gebouwd,zo ook het Berghems baarhuisje. Dat de overheid controle hield op de naleving van deze wet mag blijken uit de brief die het gemeentebestuur van Berghem kreeg in 1872 waarin ze werden gewezen op hun verplichtingen om een baarhuisje op te richten.We mogen dan ook aannemen dat als gevolg van de wet van 1872 op alle kerkhoven na 1875 zo’n huisje heeft gestaan. Anno 2010 is daar nog heel weinig van over, en dan vooral niet  van de vroegste periode.Over de vormgeving is heel weinig te zeggen, het was vaak de opzichter van de begraafplaats of de plaatselijke timmerman die een schets maakte, in het Berghemse geval is het opmerkelijk dat het huisje duidelijke kenmerken vertoond met het baarhuisje uit Velp bij Arnhem. Na 1900 werden de huisjes mooier en vaak neogotisch gebouwd,en rijker versiert. Daarom is het ook zo kostbaar om de eerste huisjes te bewaren,omdat die bijna allemaal zijn gesloopt.

De locatie
Na 1872 kregen de eerst gebouwde baarhuisjes meestal een plaats achter in de hoek van het terrein.Blijkbaar werden ze weggeschoven,en wilde men bij het betreden van de begraafplaats niet meteen met het lijkenhuisje worden geconfronteerd. De huisjes werden omgeven door bomen(ook in Berghem),niet alleen om ze aan het oog te onttrekken, maar ook gedurende de zomermaanden een koel klimaat te bewerkstelligen.
Funerair specialist Leon Bok melde Berchs-Heem dat de locatie van baarhuisjes vaak te vinden waren aan het einde van de kerkpad,wat ook in Berghem het geval was (later meer hierover). Het kan dan ook niet toevallig zijn dat het baarhuisje in Berghem vergezeld is van een mooie treur-es boom.